De bonte kwaliteit van het africano marmer was waarschijnlijk al uitgeput in het Flavische tijdperk (eind 1e eeuw n.Chr.), een tijd waarin de steengroeven nog slechts een grijsachtige variëteit (bigio) produceerden met zeldzame rode aderen, zoals blijkt uit de vele blokken die nog in de groeve Karagöl bij Teos zijn achtergebleven. De fragmenten van ingelegde kolommen (A-B, X) zijn tot op heden een unicum en getuigen van de ingewikkelde en moeizame poging om kunstmatig de oorspronkelijke polychrome kwaliteit van het inmiddels praktisch onvindbare africano te reproduceren door de invoeging, in een grijze schacht, van bochtige stukken van de rosso brecciato variëteit.
Detail van de ingelegde schacht met restauratiebeugel, holle uitsparingen met gaten voor pennen en met pluggen
(Bruno M. 2008)