Tot de 1e eeuw n.Chr. werd de watervoorziening van Ostia gegarandeerd door regenwater, dat werd opgevangen in cisternen, en putten, die reikten tot de aquifer, de ondergrondse watervoerende laag. Onder Tiberius (14-37 n.Chr.) of Caligula (37-41 n.Chr.) werd het stadsaquaduct gebouwd dat eindigde bij het reservoir naast de zuidelijke muren van Porta Romana. Van hieruit werd het water in de stad gedistribueerd via een capillair netwerk van reservoirs en loden leidingen (fistulae), met inscripties met de naam van de kolonie of de eigenaren van de vergunning. Het waterleidingnet voedde openbare en particuliere gebouwen. Ook de exploitatie van de aquifer werd echter voorgezet en het water ervan werd met behulp van houten schepraderen (noriae) omhooggebracht. Het aquaduct bleef in gebruik tot de vijfde eeuw n.Chr. Na de ontmanteling ervan keerde men weer terug naar het gebruik van water uit de putten die soms ook midden in de straten stonden en die inmiddels voor een deel ook weer in onbruik zijn geraakt.
Reconstructie van de castellum aquae (hoofdverdeelstation) bij de republikeinse muren
(P. Martinez, K. Cain e T. Gill, in E. Bukowiecki, H. Dessales, J. Dubouloz)