Deze twee onafhankelijke graven uit de eerste helft van de 1e eeuw n.Chr. met oorspronkelijk de ingang op het noorden (A), delen dezelfde plattegrond. Beide werden gekenmerkt door een onbedekte vestibule (B) en een overdekte grafkamer (C), met nissen voor asurnen langs de wanden. Op de terrasvormige daken die via trappen konden worden bereikt, konden rouwbanketten worden gehouden. In een ruimte tussen de twee graven bevond zich het ustrinum (D), waar de lichamen van de doden werden gecremeerd. In de 2e eeuw n.Chr. werd deze ruimte ingenomen door een inhumatiegraf.