De Necropolis van de via Laurentina biedt ons een rijke documentatie over de rituelen rond de dood en begraving in de Romeinse tijd. Net als elders vonden ook hier sinds het einde van de Republiek zowel begrafenis- als crematierituelen plaats. Crematies overheersten in ieder geval tot de 2e eeuw n.Chr. en vonden gewoonlijk plaats op een speciaal hiervoor bestemde plek in of in de nabijheid van de graven zelf (ustrinum). De as werd vervolgens in urnen of aspotten gestopt die in de grond of in de nissen in de wanden van de graven werden geplaatst. Bij inhumatie werd het lichaam in eenvoudige aarden kuilen, in sarcofagen of - minder vaak - in amforen (enchytrismos) neergelegd. Vanaf de 2e eeuw n.Chr. begon men ook met het begraven in aangelegde kuilen (formae) of in grote nissen in de muren (arcosolia) van de grafgebouwen. In veel graven hebben we funeraire triclinia, waterputten en ovens aangetroffen die dienden voor de banketten ter gelegenheid van begrafenissen, jubilea en festiviteiten ter verering van de doden.