Graf 1: kubusgraf met piramidevormig deksel, daterend uit de Antonijnse tijd (138-192 n.Chr.)
Graven 2-9: kamergraf, met arcosolia in de wanden, en kuilen omringd door lage muurtjes in de vloeren (formae), bestemd voor inhumaties en te dateren uit de eerste helft van de 3e eeuw n.Chr. De aanwezigheid van dakpan- en sarcofaaggraven onder de Graven 4, 5, 6 en 7 duidt op een eerdere gebruiksfase van het gedeelte aan de weg. Het marmeren portret van Volcacius Myropnous komt uit de opgraving van Graf 6.
Graf 10: dateert uit de tweede helft van de 2e eeuw n.Chr. en is van onderverdeeld in arcosolia voor begrafenissen en nissen met urnen voor de gecremeerde resten. Op de muur aan de ingang staat de inscriptie met terracotta omlijsting tussen twee spleten. De uitsparingen aan de zijkanten moeten aardewerken reliëfs hebben bevat.
Graf 11 : kamergraf met later toegevoegde ommuring met op de voorgevel inscriptie in het Grieks met informatie over de afmetingen van het graf. De binnenmuren zijn bestemd voor het gemengde ritueel: arcosolia voor begrafenissen in het onderste gedeelte, en nissen met urnen voor de gecremeerden in het bovenste gedeelte, formae voor teraardebestellingen onder de vloer. De centrale nissen waren versierd met schilderingen van de Parcen, symbolen van het Lot. De beginfase van dit graf dateert uit de jaren 135-140 n.Chr.
Graf 4, axonometrische tekening van de ommuring met de sarcofaaggraven 4a en 4b waarop de wanden van de formae geplaatst zijn