Van deze groep van grafgebouwen uit de Severische periode (197-235 n.Chr.) zijn alleen de ondergrondse verdiepingen met op meerdere niveaus gerangschikte formae bewaard gebleven.
Langs de weg staan een aantal marmervondsten die tijdens de opgravingen van Guido Calza tussen de jaren 20 en 40 in de Necropolis en op de aangrenzende terreinen werden ontdekt: de altaren in de vorm van een parallellepipedum met timpaanbedekking en epigrafische tabula op de voorkant, dateren uit de eerste helft van de 2e eeuw n.Chr.; het hoofdloze vrouwenbeeld, van het zogenaamde “Groot Herculaneum” -type, uit de tijd van Trajanus (98-117 n.Chr.); diverse sarcofagen, waarbij vooral de "bisomus"-sarcofagen, sarcofagen bedoeld voor twee grafleggingen,, met Gorgonenkoppen, uit de tweede helft van de 2e eeuw n.Chr. opvallen, en de sarcofaag met herderstafereel, door sommigen geïnterpreteerd als hebbende een christelijke betekenis, uit de tweede helft van de 3e eeuw n.Chr., en tenslotte de gestrigiliseerde sarcofaag met leeuwen uit de 3e eeuw n.Chr.