De aanwezigheid van de Graven E48, E50 en E46 uit de Antonijnse periode (138-192 n.Chr.), getuigt van de voortzetting van de begraafplaats naar het oosten.
Graven E45, E46 en E47: het grondplan van dit complex is vrij ingewikkeld, met een ommuring voor twee kamers bestemd voor het gemengde ritueel met arcosolia en nissen met urnen. In ommuring E45 is de afwisseling van beschilderde rechthoekige en halfronde nissen zichtbaar, benadrukt door stucwerkpilasters. In kamer E46 zijn de resten van het vloermozaïek met bloemenmotief van kleine zwarte en witte steentjes bewaard gebleven. Het later gebouwde kamergraf E47 had een mozaïek met een witte achtergrond met zwarte banden die de omtrek van de onderliggende graven (formae) aangaven. Dit maakte ze gemakkelijker te identificeren voor de latere teraardebestellingen.
Graf E48: er is nauwelijks nog iets over van dit aan de straat gelegen gebouw. Het had een heel eenvoudige inrichting: een arcosolium in de achterwand, formae onder de vloer.
Ommuring E49 en kamergraf E50: dit complex, dat op een tweede linie ten opzichte van de weg ligt, is het enige in dit gedeelte met de ingang op het noorden. De ligging is waarschijnlijk bepaald door de wegvertakking in de begraafplaats. De ommuring is bedoeld voor het gemengde ritueel, in de kamer zijn arcosolia bewaard.