Het theater is een van de oudste gemetselde gebouwen van dit type en stamt uit de laatste jaren van de eerste eeuw v.Chr. zoals blijkt uit de inscriptie waarin Agrippa, de schoonzoon van Augustus, wordt genoemd. Aan het einde van de 2e eeuw n.Chr. werd het uitgebreid naar een capaciteit van 4000 toeschouwers. Een portico met winkels (A) keek uit op de Decumanus, waarover in 216 n.Chr., vlak naast de ingang van het theater (B) een boog werd gebouwd ter ere van keizer Caracalla. Deze ingang, waarvan het gewelf versierd was met stucwerk, leidde naar de met marmer geplaveide orchestra (C), dat ook via twee zijgangen (parodoi) kon worden bereikt. In de late keizertijd werd een marmeren borstwering gebouwd die diende om de cavea (tribune) (D) te isoleren van de orchestra tijdens de uitvoering van waterspelen. Het toneel (E) werd opgeluisterd door nissen. Enkele marmeren elementen (waaronder de maskers), die oorspronkelijk bij de scaenae frons (podiummuur) hoorden, zijn nog overgebleven.