Aan het begin van de 2e eeuw n.Chr. bestond het complex uit een reeks winkels en werkplaatsen, met aan de achterkant een open ruimte waarin rond 200 n.Chr. een klein tempeltje (A) werd gebouwd, waarvan de vereerde godheid onbekend is. In de tweede helft van de 3e eeuw n.Chr., werd het gebouw de zetel van een neoplatoons filosofisch college, zoals blijkt uit de vondst van twee portretten die worden toegeschreven aan de filosoof Plotinus (203/205-270 n.Chr.). Het gebouw kreeg een vergaderzaal (B) met banken en achterin een nis, en een klein badhuis met een frigidarium (zaal voor koude baden) geplaveid met een mozaïek van grote tesserae van groen marmer (C). De eveneens met marmer beklede verwarmde zalen bevonden zich in het noordelijke deel van het gebouw (D).