In het edict van Diocletianus van 301 n.Chr. wordt de prijs van africano bepaald op 150 denarii per voet (29,57 cm). Het was daarom goedkoper dan Frygisch marmer en Numidisch marmer die 200 denarii kostten, en duurder dan cipollino dat slechts 100 denarii kostte. Dankzij de trapvormige vorm van de blokken konden enerzijds platen van gelijke grootte geproduceerd worden, anderzijds voorkwam het verspilling van materiaal tijdens het daaropvolgende snijden. Op een deel van de artefacten zijn de sporen van de hiervoor gebruikte zaag nog steeds zichtbaar. De merktekens en inscripties van de steengroeve op sommige blokken getuigen van de strikte centrale controle waaraan de marmerwinning onderworpen was. Dit blijkt ook uit de aanwezigheid van loden keizerlijke zegels.